De Sphinx

De Sphinx: aardewerk en kristal

Maastricht tegen de politieke achtergrond van eind 18de begin 19de eeuw.

Tot aan de Franse revolutie stond Maastricht onder gezamenlijk bestuur van de Staten Generaal der Verenigde Provinciën en de Prins Bisschop van Luik. Vanaf 1794 tot de val van Napoleon 1er, stond de stad onder Frans beheer en maakte het deel uit van het departement Basse-Meuse.

Bij het Verdrag van Wenen van 1815 werd het Koninkrijk der Nederlanden uitgeroepen met als vorst Koning Willem I van Oranje Nassau. Zijn koninkrijk kwam ongeveer overeen met de huidige Benelux. Maar al snel ontstonden er spanningen tussen het protestante noorden en het katholieke zuiden die hun climax vonden in de Belgische revolutie van 1830.

De Conferentie van Londen van 1831 erkent België als onafhankelijke staat en in het Verdrag der XXIV artikelen worden de landsgrenzen tussen beide naties vastgelegd. Dit verdrag dat in België in 1831 door het Nationale Congres wordt bekrachtigd, betekent dat België een deel van Limburg (het Nederlandse Limburg) en Luxemburg (het Groothertogdom) moet opgeven, landsdelen die zij tot dan rekende tot behorende bij de Belgisch soevereine staat. Koning Willem I, die weigerde zich neer te leggen bij de verdeling van zijn koninkrijk, zou het Verdrag der XXIV artikelen pas in 1839 ratificeren en de genoemde landsdelen pas in bezit nemen na de definitieve bekrachtiging van het verdrag door België.

Ofschoon Nederlands Limburg tot 1839 onder toezicht van België bleef, was dat niet het geval voor Maastricht waar het garnizoen trouw was gebleven aan Willem I, ook al werd de bevolking geacht meer “pro-België” te zijn. Wat Petrus Regout betreft, hij bleef altijd trouw aan de Koning der Nederlanden.

Deze ontwikkelingen dienen vermeld te worden omdat de onzekerheid die daar uit voortvloeide en het instellen van een grens die een wezenlijke hinderpaal betekende voor de handel tussen Maastricht en de Luikse regio, de industriële activiteiten van Petrus Regout zowel hinderden als — paradoxaal genoeg – ook stimuleerden. Hij was namelijk in hoge mate afhankelijk van de beschikbaarheid van grondstoffen en gekwalificeerde arbeidskrachten uit Wallonië en had dus geen andere keuze dan te investeren in eigen installaties ten einde de continuïteit van zijn onderneming te garanderen.

Petrus Regout, ondernemer en vooraanstaand industrieel

In 1840 bezoekt Koning Willem II voor de tweede maal Maastricht. Onder de inruk van de ontwikkeling van de fabrieken van Regout, zou hij tegen de Limburgse gouverneur Jhr Jean Evrard Gericke van Herwijnen gezegd hebben: “Had ik maar een dozijn getalenteerde mannen zoals hij in het land, dan zou de industrie die wij in België verloren, met gemak weer in mijn vaderland kunnen worden gevestigd”.

Petrus, geboren in 1801 begint zijn loopbaan al heel jong in een tijd die het begin van de industriële revolutie inluidt, een periode van grote economische ontplooïng waarvan Petrus handig gebruik weet te maken. In 1819, achttien jaar oud, bezoekt hij het Belgische landsgedeelte van de Nederlanden waar hij in contact komt met het industriële tijdperk.

In 1827, dan 26 jaar oud, zet hij zijn eerste glas- en kristalslijperij op achter het huis dat zijn moeder gekocht had in de Boschstraat nummer 1303 te Maastricht. Hij bevoorraadde zich in die tijd in de zuidelijke provincies (het latere België) van ruw kristal dat hij kocht van de kristalfabrieken Vonêche en Val-St.Lambert in Seraing en van Zoude in Namen.

In 1830 worden België en Nederland van elkaar gescheiden. Maastricht blijft deel van Nederland zodat de zakenrelaties die Petrus met de Waalse fabrikanten had opgebouwd op slag werden verbroken.

Hij kocht dan ook in Luik een huis in de Rue au Pont no.17 evenals een winkel aan de Soeverain Pont, 317, omdat hij zag aankomen dat hij zijn activiteiten naar België zou moeten verplaatsen gezien de eindeloze problemen die hij in Nederland ondervond.

Deze politiek-economische scheiding treft hem zwaar want het wordt hem verboden om ruw kristal van zijn Belgische leveranciers in Maastricht te importeren. Maar hij houdt vol en in 1834 weet hij Generaal Dibbits, plaatselijk commandant te Maastricht, ertoe te krijgen om Maastrichtse handelaren toe te staan grondstoffen en halffabricaten uit België te importeren “teneinde de vrede binnen de vesting te handhaven dankzij een toename van de werkgelegenheid.”

Nog steeds in 1834, richt Petrus samen met zijn broer Thomas en zijn zwager Jean Gérard Lambriex een spijkerfabriek op onder de naam Firma Thomas Regout, die later achtereenvolgens zou heten Firma Thomas Regout & Co, N.V. Maastrichtsche Spijker en Draadnagelfabriek, N.V. Thomas Regout en tenslotte Thomas Regout B.V. Deze maatschappij heeft internationale proporties aangenomen op het gebied van telescopische geleiders, die zij leveren aan bedrijven als Océ, Ikea, Siemens, General Electric, HP enz., maar heeft geen enkele band meer met onze familie.

In hetzelfde jaar schaft hij zich bij Cockeril-Seraing een stoommachine aan waarmee hij zijn kristalslijperij tot een belangrijke onderneming kan doen uitgroeien.

1834 is een belangrijk jaar in de annalen van de familie. In dat jaar richt Petrus in de Boschstraat een aardewerkfabriek op die een groot succes zou worden: de Sphinx

In 1838 richt Petrus, geboren ondernemer, zijn eigen glas- en kristalblazerij op. Hij trekt daartoe arbeiders van o.a. het Belgische Vonêche aan.

Ook is hij in 1838 medeoprichter van de stoombootlijn tussen Maastricht en Luik.

In 1842 opent hij een werkplaats om vuursteengeweren om te bouwen tot percussiegeweren.

In 1847 bouwt hij een gasfabriek om zijn fabrieken van de nodige energie te voorzien. Bovendien legt hij een netwerk van glasbuizen aan voor de levering van gas aan de stad Maastricht, maar na een lange procedure verliest Petrus deze concessie.

In 1850 richt hij samen met zijn schoonzoon Weustenraad de papierfabriek Lhoest, Weustenraad & Co. Op, die later de N.V. Koninklijk Nederlandse Papierfabriek (KNP) zou heten en momenteel behoort tot de groep South African Pulp and Paper Industries (SAPPI).

Bij zijn overlijden in 1878 telden de fabrieken van Petrus Regout samen 2.573 arbeiders.

 

Petrus Regout en zijn sociale opvattingen

Petrus Regout was van mening dat arbeiders moesten kunnen beschikken over gezonde verluchte woningen in de onmiddellijke omgeving van de werkplaats. Hij gaf daarom in 1868 opdracht aan een architect uit Aken, Wilhelm Wickop (1824 – 19008) om een tehuis voor arbeiders te bouwen van 7 verdiepingen. Dit torengebouw, op zijn maastrichts “Groete Bouw”, omvatte 76 kamers waarin 40 gezinnen konden wonen. De gangen en het centrale trappenhuis waren voor gemeenschappelijk gebruik. Een dergelijk woningcomplex heette “familistère”, een Franse term die etymologisch “plaats voor gezinsbijeenkomst” betekent, en die volgens Wickop een typisch voorbeeld was van sociale woningbouw. Het waren alle één-kamerwoningen, zoals die ook in Parijs te vinden waren. Licht, lucht en infrastructuur lieten te wensen over in de “Groete Bouw” maar vergeleken met andere arbeidersverblijven uit die tijd konden deze woningen nog als zeer modern worden bestempeld.

Er was bijvoorbeeld op elke verdieping een waterpomp. De “Groete Bouw” werd in 1938 afgebroken.

In 1851 zette Petrus een ziekteverzekeringskas op, gevolgd in 1870 door een werkreglement waarbij bepaald werd dat in zijn fabrieken een werkdag niet meer dan 10 uur mocht duren en kinderarbeid werd verboden voor kinderen onder de 12 jaar. Hij was daarmee op zijn tijd vooruit.

Ondanks deze sociale maatregelen hadden zijn persoon en de naam Regout in Maastricht nog al een slechte reputatie, wellicht gebaseerd op jaloezie op het succes van zijn ondernemingen. Hoe dan ook, zijn sociale beheer moet gezien worden tegen de achtergrond van de opvattingen van die tijd en niet beoordeeld worden volgens de criteria van vandaag.

 

Petrus Regout en het openbare leven

Van 1844 tot 1852 was hij lid van de Raad van Bestuur van de Kamer van Koophandel van Maastricht en van 1851 tot 1853 lid van de Gemeenteraad van Maastricht.

In 1849 wordt hij door Koning Willem II benoemd tot lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal. Zijn opdracht was een conflict op te lossen met België dat water uit de Maas – de natuurlijke grens tussen beide landen – afleidde om er de Kempen mee te bevloeien. Dit schiep namelijk problemen voor de scheepvaart op de Zuid Willemsvaart. Maar waarschijnlijk was hij wat al te uitgesproken in zijn onderhandelingen hetgeen hem in 1859 zijn zetel in de Eerste Kamer kostte. De aantrekkingskracht van de politiek leeft door in de tak van Louis Regout, die twee ministers voortbracht.

 

Petrus Regout en zijn vastgoed

Naast zijn industriële onroerende goederen en talloze huizen in Maastricht, bezat Petrus tussen Meerssen en Maastricht vier kastelen: Groot Vaeshartelt, de voormalig Koninklijke residentie van 1841 tot 1851, Klein Vaeshartelt, Klein Zwitserland en Groot Zwitserland.

 

De Sphinx

De firmanaam waaronder de aardewerk- en kristalproducten op de markt werden gebracht luidde achtereenvolgens: tot 1870 Glas- en Aardewerkfabriek Petrus Regout, van 1870 tot 1879 Firma Petrus Regout, 1879 tot 1899 C.V. (Commanditaire vennootschap) Petrus Regout. In 1899 werd de naam gewijzigd in N.V. Kristal- Glas- en Aardewerkfabrieken de Sphinx v/h Petrus Regout. Deze benaming bleef ongewijzigd tot 1958, ofschoon de kristalproductie in 1925 werd ondergebracht in een aparte vennootschap, de N.V. Kristalunie.

In 1958 wordt het concurrerende bedrijf N.V. Céramique, dat in 1851 in Wijck, aan de overzijde van de Maas, werd opgericht door de twee Belgische ondernemers Nicolas Winand Clermont en zijn zwager Charles Chenaye, samengesmolten met de “Sphinx”. Het bedrijf heet voortaan N.V. Sphinx-Céramique met in 1959 ter gelegenheid van zijn 125 jarig bestaan de toevoeging van het predicaat “Koninklijke”. De familie Regout behoudt het beheer over de totaliteit der bedrijven.

In de twintigste eeuw kent de Sphinx een buitengewoon succesvolle ontwikkeling. Over de hele wereld kan men zijn aardewerkserviezen vinden en op de gebieden van tegels en vooral van sanitair is het bedrijf één van de drie voornaamste Europese fabrikanten. In spitsperiodes verschafte het bedrijf werk aan meer dan 4.500 werknemers. In 1968 neemt de Sphinx in België de SA Manufactures Céramiques van Hemiksem en van Dyle over.

In 1969 valt het doek voor de productie van de aardewerkserviezen. Het succes van de tegels en sanitairproducten trekt de aandacht van de Engelse groep Reed International die in 1974 een openbaar bod uitbrengt op de gezamenlijke bedrijven, 140 jaar nadat Petrus Regout zijn eerste bedrijf opzette.

In 1986 worden de aandelen Sphinx naar de Amsterdamse beurs gebracht.

Het fabrieksterrein in Wijck van de voormalige SA Céramique wordt in 1988 aan de Stad Maastricht verkocht. Ten slotte, nadat ook de Zweedse groep Gustavberg was ingelijfd en de tegelproductie was afgestoten, komt de Sphinx, nog altijd actief in de productie van sanitair, in 1999 in handen van de Finse groep Sanitec. De historische fabriek van de Sphinx aan de Boschstraat sluit definitief zijn poorten op 31 december 2006.

De productiefaciliteiten worden overgebracht naar een gloednieuwe ultramoderne fabriek ten noorden van Maastricht, die tot ieders grote verrassing al heel snel weer wordt ontmanteld. De productie, inclusief machines en inventaris, wordt verplaatst naar Zweden.

Aan het einde van dit twee-eeuwenlange succes blijft in Maastricht niet meer over dan een verkoopkantoor met het embleem van de Sphinx op de deur. Maar de stempel van Regout op de Boschstraat zal blijven voortleven, want de gemeenteraad van Maastricht besliste dat een van de belangrijkste rotondes in het nieuwe woon- en winkelcentrum Regoutplein zou heten.

Ook het Belgische verleden werd niet vergeten en zo ontstond het Plein der Belgen.

Onze eerste kennismaking met het begrip wooncomplex voor arbeiders is het complex dat de fabrikant van glas en aardewerk Petrus Regout uit Maastricht in 1863/64 liet ontwerpen en bouwen door architect Wickop uit Aken. Het betrof een imposant rechthoekig gebouw van 25 meter breed, 35 meter hoog en 35 meter diep met een monumentale gotische voorgevel. Het gebouw telde zeven verdiepingen en een totaal van 72 één-kamerwoningen voor arbeidersgezinnen plus 24 zolderkamers voor alleenstaanden.

De aanwezigheid van 16 toiletten en een waterpomp op elke verdieping was heel nieuw voor die tijd. De huur bedroeg tussen de NLG 0,40 en 0,70 wat ongeveer de helft was van wat normaal was voor een woning van een dergelijke oppervlakte. De toren stond in het centrum van de oude stad, niet ver van de fabriek en was bestemd voor gewone, d.w.z. ervaren arbeiders.

color
https://www.regout.be/wp-content/themes/carbon/
https://www.regout.be/nl/
#ffffff
style5
paged
Loading posts...
/home/regoutbe/domains/regout.be/public_html/
#
on
none
loading
#
Sort Gallery
on
yes
yes
off
Vul je email hier in
on
off
nl